Het aantal WW-uitkeringen aan mensen onder 25 jaar is in september met 2,1 procent gestegen ten opzichte van augustus. Ook bij 25- tot 35-jarigen nam het aantal toe: met 2 procent. Dat blijkt uit de nieuwe maandcijfers van UWV en CBS, die op 15 oktober zijn verschenen. Alle leeftijdsgroepen lieten een stijging zien.

Over alle leeftijden samen telde UWV eind september 197.100 WW-uitkeringen, 1,2 procent meer dan een maand eerder. Het CBS telde tegelijkertijd 408.000 werklozen, evenveel als in augustus. Ook het werkloosheidspercentage bleef gelijk, op 4 procent. Over drie maanden bezien is de ontwikkeling minder gunstig: sinds juni kwamen er 15.000 werklozen bij. Dat komt neer op gemiddeld 5.000 per maand.

Volgens het CBS steeg de werkloosheid vooral doordat minder mensen de groep werklozen verlieten. Dat gebeurde zowel doordat minder mensen een baan vonden, als doordat minder mensen stopten met zoeken. In september waren 232.000 mensen niet meer werkloos die dat drie maanden eerder nog wel waren. Van hen hadden 140.000 werk gevonden. De overige 92.000 waren gestopt met zoeken.

Stijging in bijna alle regio’s

De stijging van de WW bleef niet beperkt tot een paar delen van Nederland. In 29 van de 35 arbeidsmarktregio’s nam het aantal uitkeringen toe. Ook de meeste sectoren lieten een stijging zien. Bij de overheid was die procentueel het grootst; in het onderwijs kwamen er in absolute aantallen meer uitkeringen bij dan bij de overheid.

Niet iedere werkzoekende krijgt WW

Voor iemand die net van school komt, beschrijven de WW-cijfers maar een deel van de situatie. Jongeren die nog niet of niet lang genoeg hebben gewerkt, kunnen werkloos zijn zonder recht op WW. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor iemand van wie de maximale uitkeringsduur is verstreken. Omgekeerd kan een werknemer naast een betaalde baan een gedeeltelijke WW-uitkering krijgen. De 408.000 werklozen en de 197.100 uitkeringen zijn daardoor verschillende tellingen; het verschil zegt niet hoeveel mensen nog een uitkering kunnen aanvragen.

Bij verlies van een baan of werkuren hangt WW onder meer af van het opgebouwde werkverleden. UWV noemt als voorwaarde dat iemand in de voorafgaande 36 weken minstens 26 weken heeft gewerkt. Werk bij verschillende werkgevers mag daarbij meetellen. Wie gemiddeld minstens tien uur per week werkte, moet ten minste vijf uur én het bijbehorende loon verliezen. Bij een werkweek van minder dan tien uur gaat het om minstens de helft van de uren en het loon. Daarnaast moet iemand verzekerd zijn voor werkloosheid en direct beschikbaar zijn voor betaald werk. Er gelden uitzonderingen, bijvoorbeeld rond ziekte of verlof; UWV beoordeelt de individuele aanvraag.

Ook de maandvergelijking verschilt. Het CBS haalt terugkerende seizoenseffecten uit de werkloosheidscijfers, bijvoorbeeld veranderingen rond aflopende contracten. Bij het aantal WW-uitkeringen gebeurt dat niet. De stijging van de uitkeringen en het gelijkblijvende werkloosheidspercentage kunnen daarom naast elkaar bestaan.

Verder bij de bron

Lees zelf de onderzoeken, uitleg en aankondigingen achter dit verhaal.

Bronnen en werkwijze