De Raad van State vindt dat het kabinet beter moet uitleggen waarom Nederlandse verkeersboetes opnieuw omhoog moeten. Het op 21 september gepubliceerde advies gaat over de voorgenomen indexering per 1 januari 2027. De Afdeling advisering wijst op de bestaande scheefgroei tussen boetestelsels. Alleen verwijzen naar inflatie is volgens haar onvoldoende: de verhoging moet ook noodzakelijk en evenredig zijn. Afzien van indexering kan een eerste stap zijn om de verhoudingen te herstellen. Begrotingsinkomsten mogen een aanpassing niet vooraf blokkeren. Het betreft een advies over een ontwerpbesluit, geen uitspraak die bestaande boetes vernietigt.

Eerst de letter op de brief

De discussie draait om administratieve verkeersboetes, vaak Mulderboetes genoemd. Je herkent ze aan de grote M op de brief van het Centraal Justitieel Incassobureau, het CJIB. Volgens het Openbaar Ministerie leveren deze lichte verkeersovertredingen geen strafblad op. Bij zwaardere overtredingen, zoals rijden onder invloed, kan juist een strafbeschikking volgen. Dat onderscheid verklaart waarom één woord, verkeersboete, verschillende procedures kan betekenen. Ook de ontvanger is niet altijd degene die reed: zonder staandehouding is bij een Mulderboete de kentekenhouder aansprakelijk. Wie de auto van een ouder leent, moet dus niet verbaasd zijn als de brief bij die ouder terechtkomt.

Sterker gestegen dan de prijzen

De evaluatie van de verkeersboetewet uit december 2025 maakt de ontwikkeling zichtbaar. Tabel 5.1 vergelijkt de algemene tariefstijging met de consumentenprijzen vanaf 1994. Voor 2024 noteert het rapport een cumulatieve boetestijging van 223 procent, tegenover 71,1 procent voor de consumentenprijsindex. Het gaat dus om de toename boven het oude niveau, niet om de totale prijs als percentage daarvan. De grafiek toont die historische vergelijking. Zij voorspelt geen tarief voor 2027 en zegt evenmin dat iedere afzonderlijke overtreding precies dezelfde prijsontwikkeling had. Naast indexering speelden extra beleidsmatige verhogingen een rol.

Stijging tussen 1994 en 2024procent ten opzichte van 1994 · schaal begint bij 0
  1. Algemene boetetarieven+223%
  2. Consumentenprijzen+71,1%

Cumulatieve stijging, geen boetebedrag. Bron: evaluatie Wahv, tabel 5.1 (december 2025).

Een erkend probleem kost geld

De spanning is al langer bekend. In de kabinetsreactie van 6 juni 2025 werden eerdere verhogingen om begrotingsredenen erkend, evenals de ontstane onevenredigheid. Het kabinet wees een verlaging met dertig procent destijds af. Die zou volgens de brief de jaarlijkse opbrengsten van Mulderboetes met een bedrag oplopend tot driehonderd miljoen euro verminderen. Ook meerdere jaren niet indexeren zou uiteindelijk zo’n gat veroorzaken. Binnen de justitiebegroting was daarvoor geen dekking gevonden. Daarnaast vreesde het kabinet dat een forse verlaging een verkeerd signaal aan verkeersdeelnemers zou geven. Dat was een beleidsmatige vrees, geen in die brief aangetoond effect van een daadwerkelijk uitgevoerde verlaging.

Een hoger bedrag is niet de hele aanpak

De regeringsantwoorden van 8 juni 2026 laten zien waarom boetehoogte en verkeersveiligheid afzonderlijk moeten worden bekeken. De bewindspersonen vatten daarin onderzoek van SWOV samen: hogere boetes kunnen gedrag beïnvloeden, maar het effect is beperkt en vooral zichtbaar in combinatie met een hogere pakkans. Dezelfde antwoorden beschrijven jaarlijkse indexering als een correctie voor geldontwaarding. Daarbij vindt geen nieuwe proportionaliteitstoets plaats, omdat de relatieve strafmaat geacht wordt gelijk te blijven. Zo ontstaat een verschil tussen twee vragen: blijft een bedrag even zwaar door de tijd, en past dat bedrag nog bij de overtreding? Een inflatiecorrectie geeft op die tweede vraag op zichzelf geen antwoord.

Beroep is geen uitzondering

De jaarcijfers van het Openbaar Ministerie laten zien hoeveel mensen met deze procedures te maken krijgen. In 2025 werden bijna 7,6 miljoen verkeersboetes opgelegd. Volgens het OM gingen ongeveer 528.200 beboete burgers in beroep bij de officier van justitie. Het parket CVOM beoordeelde dat jaar 494.700 beroepschriften. Daarna belandden 72.100 zaken bij de kantonrechter. Die deed in totaal uitspraak in 81.200 beroepszaken en werkte daarmee ook een deel van de bestaande voorraad weg. Deze cijfers beschrijven verschillende stappen en werkvoorraden; ze vormen geen uitslag over precies dezelfde groep boetes. Ook vertellen ze niet hoeveel bezwaren terecht waren. Wel maken ze zichtbaar dat rechtsbescherming een aanzienlijk onderdeel van het boetestelsel is.

Ook relevant over de grens

Het Nederlandse debat verandert de Belgische boetetarieven niet. Het raakt Belgische lezers wel wanneer zij in Nederland een overtreding begaan. De CJIB-uitleg voor inwoners van België beschrijft een betalingstermijn van acht weken. Daarna volgt volgens die actuele uitleg eerst een betalingsherinnering met nog twee weken zonder extra kosten. Latere aanmaningen kunnen het oorspronkelijke boetebedrag verhogen tot anderhalf en vervolgens drie keer dat bedrag; administratiekosten worden eenmaal gerekend. Blijft betaling uit, dan kan het CJIB de zaak overdragen aan het EU-land waar iemand woont. Een grens passeren maakt een Nederlandse verkeersboete dus niet vanzelf ongedaan.

Niet kunnen betalen vraagt een andere stap

Wie een boete niet in één keer kan betalen, kan volgens het CJIB vaak een betalingsregeling aanvragen. De gepubliceerde voorwaarden noemen een bedrag van minimaal 75 euro, eventueel uit meerdere boetes samen. Eventuele verhogingen tellen mee; administratiekosten niet. Wie in de afgelopen zes maanden al een betaalafspraak had, moet zich daaraan hebben gehouden om opnieuw zo’n afspraak te maken. Na akkoord volgen de bedragen en betaaldatums per brief. Het CJIB onderscheidt dit van het aanvechten van een Mulderboete: wie daartegen in beroep gaat, hoeft tijdens dat eerste beroep nog niet te betalen en moet dan nog geen betalingsregeling aanvragen.

Een advies vervangt geen beroepsprocedure

Voor het aanvechten van een eigen Mulderboete blijft de normale route bestaan: eerst naar de officier van justitie, daarna eventueel naar de kantonrechter. Rechtspraak legt uit dat het beroep tegen de beslissing van de officier binnen zes weken bij het CVOM moet zijn. Bij die rechterlijke stap geldt in beginsel een zekerheidsstelling: je betaalt het boetebedrag inclusief administratiekosten vooraf. Bij verlaging of vernietiging krijg je dat geheel of gedeeltelijk terug. Wie dat niet kan betalen, moet dit met bewijs bij het beroep aangeven; de rechter beoordeelt dat. Een advocaat is niet verplicht. De concrete brief en procedure blijven dus bepalend voor je eigen zaak.

Verder bij de bron

Lees zelf de onderzoeken, uitleg en aankondigingen achter dit verhaal.

Bronnen en werkwijze