Het kabinetsplan om kleinere spaarders en beleggers eerder belasting te laten betalen, stuitte woensdag 30 september in de Tweede Kamer op verzet. JA21, ChristenUnie, SGP en Pro willen de voorgestelde verlaging van de belastingvrije grens niet slikken; coalitiepartijen lieten tijdens het debat ruimte voor een andere oplossing. Voor Nederlanders met een bescheiden spaarpot of beleggingsrekening is dat direct relevant: de grens zou al in 2027 bijna halveren. De Kamer heeft die wijziging nog niet aangenomen, dus de rekening verandert vandaag niet.

Nu blijft in box 3 in 2026 de eerste 59.357 euro aan vermogen buiten de heffing voor iemand zonder fiscale partner. Voor partners samen is dat 118.714 euro. Het kabinet stelde dinsdag voor om de individuele grens volgend jaar op 30.846 euro te zetten, gelijk aan het niveau van 2020. Een alleenstaande met 40.000 euro op de bank zit daardoor nu onder de grens, maar zou in 2027 boven de voorgestelde grens uitkomen. Dat betekent niet automatisch belasting over alle 40.000 euro: de berekening hangt af van de bezittingen, het geldende rendement en eventueel tegenbewijs.

Wat er voor spaarders op het spel staat

Vanaf 2028 wil het kabinet een andere drempel gebruiken. Dan zou niet een vast bedrag aan vermogen, maar de eerste 1.000 euro aan jaarlijks rendement zijn vrijgesteld. Het kabinet geeft zelf het voorbeeld van 50.000 euro spaargeld tegen 2 procent rente: de rente bedraagt dan 1.000 euro en blijft volgens dit voorstel buiten de heffing. Bij meer rente kan er wel belastbaar rendement ontstaan, ook als het saldo kleiner is dan de huidige vermogensgrens. De rente en de definitieve wet bepalen dus meer dan alleen het bedrag op de rekening.

Dat onderscheid is belangrijk bij vergelijken. Een vrijstelling van 59.357 euro vermogen in 2026 en een vrijstelling van 1.000 euro opbrengst in 2028 zijn geen bedragen van dezelfde soort. Wie 50.000 euro spaargeld tegen 1 procent rente heeft, ontvangt 500 euro en blijft onder de voorgestelde opbrengstgrens. Bij 3 procent is de rente 1.500 euro en valt volgens diezelfde opzet 500 euro erboven. Dit zijn rekenvoorbeelden, geen voorspelling van spaarrente of een persoonlijke belastingaanslag; voor 2027 geldt bovendien nog een ander, tijdelijk stelsel.

De Kamer houdt de dekking tegen

Het kabinet wil sneller af van belasting over een koerswinst die een belegger nog niet heeft verzilverd. Daarvoor moet het geld vinden. In de brief van 29 september kiest het naast andere maatregelen juist voor lagere vrijstellingen in box 3 en een hogere berekende opbrengst voor overige bezittingen in 2027. Tijdens het debat van woensdag noemden oppositiepartijen vooral die rekening voor kleinere spaarders en beleggers onaanvaardbaar. Volgens de NOS leken D66, VVD en CDA bereid verder te zoeken. Dat is een politieke opening, geen afspraak over een nieuwe grens of een stemming die al heeft plaatsgevonden.

Het voorstel bevat tegelijk een echte verandering waar veel beleggers lang om vroegen. Volgens de bestaande, al door de Tweede Kamer goedgekeurde wet zou de waardeontwikkeling van de meeste aandelen vanaf 2028 jaarlijks meetellen, ook zonder verkoop. De nieuwe kabinetsroute wil voor aandelen, obligaties en opties al vanaf 2028 heffen wanneer winst wordt gerealiseerd. Wie zijn belegging aanhoudt, hoeft dan niet voor de papieren koersstijging van dat jaar af te rekenen. Dat kan voorkomen dat iemand stukken verkoopt om een belastingaanslag te betalen. Rente en dividend blijven wel inkomsten in het jaar waarin ze binnenkomen.

Daar staat een nadeel tegenover: wie de verkoop uitstelt, kan ook de belasting over koerswinst uitstellen. De staatskas ontvangt daardoor later geld. De regering wil dat verschil onder meer opvangen met de kleinere vrijstellingen en wijzigingen in de belasting voor ondernemers met een eigen bedrijf. Voor de lezer is de uitkomst dus geen simpele keuze tussen een voordelig oud en nieuw stelsel. Een langetermijnbelegger kan profiteren van later afrekenen over koerswinst, terwijl een kleine spaarder die elk jaar rente ontvangt eerder in box 3 kan belanden.

Nog geen nieuwe belastingwet

De route is bovendien krap. Het kabinet wil de nieuwe regels via een aanvulling op de wet laten lopen en schrijft dat die vóór 31 december door de Eerste Kamer moet zijn aangenomen om 2028 te halen. De bestaande wet voor belasting op werkelijk rendement is wel door de Tweede Kamer, maar nog niet door de senaat. Banken kunnen volgens de kabinetsbrief in het eerste invoeringsjaar niet alle gegevens voor een vooraf ingevulde aangifte aanleveren. Dat vergroot de kans op meer eigen uitzoekwerk voor belastingbetalers, zelfs als het politieke compromis er komt.

Voor wie nu spaart of belegt, verandert de aangifte over 2026 door dit debat niet. De Belastingdienst publiceert daarvoor de bestaande vermogensgrens; wie een lager werkelijk rendement had dan het berekende rendement kan onder de huidige regels een opgave van werkelijk rendement doen. Voor 2027 en 2028 zijn de bedragen uit de kabinetsbrief voorstellen. Het antwoord van minister Heinen en staatssecretaris Eerenberg op de Kamervragen volgt donderdag; daarna moet de Tweede Kamer over het Belastingplan onderhandelen. Pas een aangenomen wet geeft een betrouwbare grens om financiële keuzes op te baseren.

Dit is Nederlands belastingnieuws: de genoemde box-3-grenzen gelden niet automatisch voor wie alleen in België belastingplichtig is. Voor Nederlanders die net beginnen met sparen of beleggen is vooral het verschil tussen saldo en opbrengst praktisch. Een lagere vermogensgrens kan iemand volgend jaar voor het eerst in de heffing brengen; een lagere opbrengstvrijstelling kan vanaf 2028 ook een relatief kleine rekening relevant maken. Zolang de Kamer de dekking betwist, blijft onduidelijk welke van die grenzen overeind blijft.

Meer weten?

Kies de verdieping die je interessant vindt.

Verdieping · 1 min extraWaarom winst bij verkoop anders voelt dan koerswinst op papierDe voorgestelde omslag verandert vooral het moment waarop beleggers moeten afrekenen.

Twee momenten, twee gevolgen

Een aandeel kan in december meer waard zijn zonder dat de eigenaar het heeft verkocht. In het wetsvoorstel dat al door de Tweede Kamer is aangenomen, telt die waardestijging voor de meeste financiële beleggingen jaarlijks mee. De kabinetsbrief van 29 september kiest voor aandelen, obligaties en opties vanaf 2028 juist voor belasting bij gerealiseerde winst. Dat scheelt een aanslag over geld dat nog vastzit, maar verschuift ook belastinginkomsten naar het jaar van verkoop. Rente en dividend zijn ontvangen opbrengsten en blijven in het ontvangjaar relevant. Voor vastgoed gold in de bestaande wet al grotendeels een aparte winstbenadering.

Verdieping · 1 min extraWaarom de grens nog kan veranderenOppositiepartijen steunen niet automatisch de manier waarop het kabinet de omslag wil betalen.

Een voorstel met twee politieke toetsen

De Kamer bespreekt donderdag 1 oktober de antwoorden van Heinen en Eerenberg. Daarna volgen de onderhandelingen over het Belastingplan. De huidige Wet werkelijk rendement box 3 ligt bij de Eerste Kamer; de aanpassing moet volgens de regering voor het einde van 2026 door die Kamer worden aangenomen. De weerstand van woensdag richtte zich vooral op de lagere vrijstellingen voor kleinere vermogens, niet per se op het principe dat koerswinst pas bij verkoop wordt belast. Een gewijzigde dekking kan de grens en de opbrengst voor de schatkist veranderen. Tot de besluiten vallen, blijven de 2027- en 2028-bedragen plannen.

Verder bij de bron

Lees zelf de onderzoeken, uitleg en aankondigingen achter dit verhaal.

Bronnen en werkwijze