Het kabinet heeft op 21 september het wetsvoorstel voor een nieuw Nederlands kinderopvangstelsel naar de Raad van State gestuurd. Vanaf 2029 wil het 95,6 procent van de maximumuurprijs vergoeden voor werkende ouders. Dat betekent geen volledig betaalde opvangrekening.

Wie krijgt nu al de hoogste vergoeding?

Gezinnen met lagere inkomens krijgen nu al bijna alle kosten binnen de vergoedingsgrens terug. De officiële toeslagtabel voor 2026 geeft tot en met 56.412 euro gezamenlijk toetsingsinkomen een vergoeding van 96 procent. Bij hogere inkomens daalt het percentage. Bij 90.000 euro toetsingsinkomen geldt voor het eerste kind 78,9 procent en voor een volgend kind 92,2 procent. Eenzelfde vergoedingspercentage voor iedereen heeft daardoor uiteenlopende gevolgen: de uitgangspositie verschilt per huishouden.

Hoe groot is het verschil?

Bij 1.000 euro aan opvangkosten die volledig binnen de vergoedingsgrens vallen, blijft bij 96 procent vergoeding 40 euro over voor ouders. Bij 95,6 procent is dat 44 euro. Dat is 4 euro meer, of tien procent extra eigen bijdrage. Dit rekenvoorbeeld isoleert uitsluitend het percentage; het voorspelt geen rekening voor 2029. Uurtarieven, opvanguren en de toekomstige vergoedingsgrens kunnen veranderen.

Waarom telt de uurprijs zo zwaar?

Het tarief boven de vergoedingsgrens betalen ouders volledig zelf. Voor dagopvang ligt die grens in 2026 op 11,23 euro per uur. Het voorbeeld hieronder houdt honderd opvanguren en 96 procent vergoeding gelijk en varieert alleen het tarief. Bij 12 euro per uur komt daardoor 77 euro volledig voor eigen rekening, bovenop de resterende bijdrage binnen de grens. Een hoge vergoeding kan dus samengaan met een merkbaar hogere factuur. Kost opvang minder dan de grens, dan rekent Dienst Toeslagen juist met die lagere werkelijke prijs.

Zelf betalen bij 100 uur dagopvangeuro, rekenvoorbeelden 2026 · schaal begint bij 0
  1. Uurtarief €11,23€44,92
  2. Uurtarief €12€121,92
  3. Uurtarief €13€221,92

Aanname: 96% vergoeding, grens €11,23. Eigen berekening op basis van Dienst Toeslagen en de toeslagtabel 2026. Geen voorspelling voor 2029.

De betaalroute verandert ook

Naast betaalbaarheid wil het kabinet vooral financiële onzekerheid wegnemen. Volgens de uitleg over het wetsvoorstel melden ouders zich straks één keer aan bij de overheid. Die controleert vooraf of zij aan de voorwaarden voldoen en regelt de subsidie met de opvangorganisatie. Veranderingen in hun situatie of fouten bij de aanvraag krijgen vervolgens alleen gevolgen voor toekomstige betalingen. Zo moet worden voorkomen dat ouders later grote bedragen moeten terugbetalen. Soms blijft aanvullende informatie nodig. Het voorstel geeft gemeenten bovendien meer vrijheid om gezinnen extra te helpen met de eigen bijdrage. Dat is een gemeentelijke mogelijkheid, geen automatische landelijke vergoeding voor ieder gezin met een laag inkomen. De Eerste en Tweede Kamer moeten nog over de wet beslissen; 1 januari 2029 is de beoogde ingangsdatum.

Wat moet je voorlopig zelf regelen?

Voor ouders die nu opvang gebruiken, gelden de bestaande voorwaarden. Dienst Toeslagen benadrukt dat ook een erkende opleiding recht kan geven op kinderopvangtoeslag. Dat is relevant voor jonge ouders op het mbo, hbo of de universiteit: een vaste baan is niet de enige toegangsroute. Ook de situatie van een eventuele toeslagpartner telt mee. De opvang moet geregistreerd staan in het Landelijk Register Kinderopvang en ouders betalen verplicht een deel zelf. Vraag de toeslag uiterlijk binnen drie maanden na de start aan, anders kun je geld mislopen. Een aanvraag kan pas als het kind geboren is en een burgerservicenummer heeft. Voor wonen of werken over de grens verwijst de dienst naar aanvullende voorwaarden.

Vergelijk ook het contract

Een uurprijs vertelt niet hoeveel opvang je verplicht afneemt. Oudervereniging BOinK legt in haar prijsbrochure voor 2026 uit dat de plaatsingsovereenkomst ook het aantal opvanguren per jaar en de contractperiode bevat. Kijk daarom naar het pakket naast het bedrag per uur. Bij buitenschoolse opvang kunnen schoolweken en vakantieweken verschillend worden verwerkt. Ook kunnen bijvoorbeeld voeding, luiers of uitstapjes wel of niet in de prijs zitten. BOinK wijst verder op het adviesrecht van de oudercommissie bij voorgenomen prijswijzigingen. Een hogere overheidsvergoeding is volgens de vereniging op zichzelf geen onderbouwing voor een hoger opvangtarief: de aanbieder moet uitleggen waarom de verhoging nodig is of waaraan extra inkomsten worden besteed.

Goedkoper betekent nog geen beschikbare plek

Meer subsidie creëert niet vanzelf extra personeel. UWV beschrijft een groei van ongeveer 110.000 werknemers in de kinderopvang in 2021 naar ruim 131.000 in 2025. Toch zoeken werkgevers volgens die analyse nog mensen voor bijna 7.000 banen. Bij goedkoper wordende opvang verwacht UWV bovendien meer vraag. Daar staat een mogelijke groep nieuwe medewerkers tegenover: in juni 2026 stonden bijna 2.300 mensen met een WW-uitkering ingeschreven als pedagogisch medewerker. Bijna de helft had recent in de kinderopvang gewerkt. Dat is geen garantie dat iedere vacature direct kan worden gevuld. UWV noemt ook instroom uit andere beroepen, waarbij opleiding en begeleiding nodig kunnen zijn voordat iemand zelfstandig werkt.

Subsidie begrenzen is iets anders dan prijzen vastzetten

Het kabinet wil de opvangsubsidie onderbrengen in regels voor een dienst van algemeen economisch belang, afgekort DAEB. De SZW-uitleg van februari maakt duidelijk wat dat voor betaalbaarheid betekent. De regels moeten voorkomen dat organisaties meer subsidie krijgen dan nodig voor de dienst, inclusief een redelijke winst. Eventuele overcompensatie moet bij de ondernemer worden teruggevorderd. Maar deze constructie stelt volgens die uitleg geen maximum aan het tarief dat een opvangorganisatie aan ouders vraagt. Investeringen in kwaliteit en extra plaatsen blijven mogelijk. Voor gezinnen blijven daarmee drie afzonderlijke zaken bepalend: hoeveel de overheid vergoedt, wat de aanbieder rekent en of er daadwerkelijk plaats is.

Verder bij de bron

Lees zelf de onderzoeken, uitleg en aankondigingen achter dit verhaal.

Bronnen en werkwijze