Een groter deel van de jonge Nederlanders zegt veel overlast te hebben van rondhangende jongeren dan van de ouderen. Dat blijkt uit een nieuwe CBS-tabel van vrijdag 25 september. Van de 15- tot en met 24-jarigen noemt 8,8 procent zulke overlast ‘veel’; onder 65-plussers is dat 4,5 procent. Het beeld van een conflict tussen ‘de jeugd’ en ‘de rest van de buurt’ schiet daarmee tekort: jonge mensen zijn ook buurtbewoners. De cijfers gaan over Nederland en zijn niet rechtstreeks toepasbaar op Belgische wijken.
- 15–24 jaar8,8%
- 65 jaar of ouder4,5%
CBS Veiligheidsmonitor 2025; nieuwe StatLine-tabel van 25 september 2026. Zelf ervaren veel overlast, niet het aantal incidenten. De CBS-groep ‘15 tot 25 jaar’ omvat 15- tot en met 24-jarigen. Schaal begint bij nul.
Tegelijk groeit de ervaren hinder. In 2025 zei 46 procent van alle inwoners vanaf 15 jaar enige sociale overlast in de eigen buurt te ervaren, tegenover 42 procent in 2021. Rondhangende jongeren werden door 26 procent genoemd, tegen 22 procent vier jaar eerder. Het gaat om gemelde ervaringen, niet om een telling van drukke of gevaarlijke hangplekken. Wie het probleem in de eigen straat wil aanpakken, moet daarom weten wat er daar precies gebeurt.
Wat die percentages wel en niet betekenen
‘Enige overlast’ is een brede drempel. In de Veiligheidsmonitor koos 31,9 procent bij sociale overlast voor ‘een beetje’ en 14,3 procent voor ‘veel’. Bij rondhangende jongeren zijn die aandelen 19,2 en 7,1 procent. Bijna de helft van de bevolking ervaart dus niet automatisch ernstige hinder. Een volle bank op een plein, herhaald nachtelijk lawaai en vernieling zijn verschillende situaties die om verschillende reacties kunnen vragen.
Het aandeel dat veel sociale overlast ervaart steeg van 12,3 procent in 2021 naar 14,3 procent in 2025. Voor rondhangende jongeren was dat 5,7 tegen 7,1 procent. De vragenlijst is volgens het CBS in deze periode nauwelijks veranderd, zodat de metingen goed vergelijkbaar zijn. Wel viel 2021 in de coronaperiode. De stijging is daarom een signaal, geen bewijs voor één oorzaak, zoals veranderend gedrag van jongeren of het verdwijnen van voorzieningen.
De politiecijfers vertellen niet simpelweg hetzelfde verhaal. In 2025 registreerde de politie ongeveer 95.100 voorvallen in de categorie jeugdoverlast: meer dan de circa 83.700 in 2023, maar minder dan de circa 125.500 in 2021. De enquête vraagt hoe inwoners hun buurt ervaren; de politiereeks telt geregistreerde voorvallen. Niet elke hinder komt in die reeks terecht en één plek kan tot meerdere registraties leiden. De cijfers zijn dus niet rechtstreeks een telling van jeugdcriminaliteit.
Ook de omgeving maakt verschil. In zeer sterk stedelijke gemeenten ervaart 11,2 procent veel overlast van rondhangende jongeren; in niet-stedelijke gemeenten is dat 3,0 procent. Dat betekent niet dat elke binnenstad een probleemplek is. Voor gemeenten zijn de landelijke cijfers een reden om de eigen buurten te onderzoeken en bewoners én jongeren te vragen waar en wanneer het botst. Een vaste maatregel voor iedere wijk volgt niet uit een landelijk gemiddelde.
Ruimte voor jongeren én rust voor buren
De ruimte voor jongeren zelf verdient daarbij aandacht. Slechts 44,1 procent was in 2025 tevreden over voorzieningen voor jongeren, zoals een sportveldje of buurthuis; bij straatverlichting was dat 81,7 procent. Het Nederlands Jeugdinstituut benadrukt dat buiten samenkomen belangrijk kan zijn, terwijl dit met omwonenden kan botsen. De cijfers bewijzen niet dat beperkte voorzieningen de gemelde overlast veroorzaken. Ze maken wel duidelijk waarom een gesprek over ontmoetingsplekken bij een buurtaanpak hoort.
Jongeren die op een plein staan overtreden daarmee op zichzelf geen wet. De politie legt uit dat iedereen recht heeft om op straat te zijn en dat strafrechtelijk ingrijpen concrete feiten vergt, zoals vernieling. Bij herhaalde klachten kan zij met jongeren, bewoners, jongerenwerk en gemeente afspraken zoeken of een andere plek onderzoeken. Zo'n plek is niet vanzelf een oplossing: volgens de politie lukt het niet altijd jongeren erheen te krijgen. Rust voor buren en ruimte om elkaar te ontmoeten moeten beide meetellen.
Wie vooral geluidshinder ervaart, kan volgens de politie eerst proberen afspraken te maken, als dat veilig kan. Houdt de hinder aan, dan kan de bewoner het gemeentelijke meldpunt benaderen of naar buurtbemiddeling vragen. Bij acute dreiging of gevaar is 112 bedoeld; voor niet-spoedeisende politiezaken noemt de politie 0900-8844. Een melding garandeert niet dat een groep wordt weggestuurd. Ze kan wel duidelijk maken op welke plek, op welk tijdstip en door welk gedrag de overlast ontstaat.
Voor jongeren is het omgekeerde even praktisch: een plek vinden om elkaar te zien zonder steeds als probleem te worden behandeld. Het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid beschrijft straatcoaches die zowel jongeren als buurtbewoners betrekken. De aangehaalde evaluaties zijn gemengd: sommige lokale projecten meldden minder overlast, een andere studie vond geen grotere veiligheid. Er is dus geen bewezen pasklaar recept. Een gemeente moet nagaan of afspraken, jongerenwerk of een geschikte plek lokaal echt verschil maken.
De Veiligheidsmonitor is een enquête, geen camera boven ieder plein. In 2025 deden ruim 205.000 mensen mee; het CBS weegt de antwoorden. Toch blijven percentages schattingen met marges. Leeftijdsgroepen wonen bovendien niet in precies dezelfde soorten buurten, dus het verschil van 8,8 tegen 4,5 procent verklaart niet waarom iemand hinder heeft. De bruikbare conclusie: veel overlast wordt vaker gemeld dan vier jaar geleden en ook jonge bewoners ervaren die. Een reactie begint bij de situatie op de eigen plek, niet bij een etiket voor een generatie.
Meer weten?
Kies de verdieping die je interessant vindt.
Hoe het CBS de buurtbeleving meetDe peiling is gewogen; de cijfers gaan over ervaren hinder en kennen marges.
Voor de Veiligheidsmonitor zijn mensen van 15 jaar en ouder uit particuliere huishoudens benaderd met een internetvragenlijst. Het CBS en Ipsos I&O Publiek verzamelden de antwoorden; de resultaten zijn onder meer naar leeftijd, stedelijkheid en welvaart gewogen. Bij de 2025-meting deden 205.117 mensen mee, inclusief extra steekproeven voor lokale gebieden. Dat maakt uitsplitsingen mogelijk, maar elk percentage blijft een schatting met een betrouwbaarheidsinterval. De regionale marges zijn groter dan de landelijke. De cijfers beschrijven bovendien wat bewoners zelf in hun buurt ervaren, niet wie juridisch verantwoordelijk is voor een voorval.
Waarom een hangplek niet automatisch een politiezaak isBuiten samenkomen mag; een buurtoplossing vraagt onderscheid tussen ontmoeten, hinder en strafbare feiten.
Volgens de politie spreken jeugdagenten of wijkagenten bij herhaalde klachten doorgaans met jongeren en bewoners, vaak samen met jongerenwerk. De gemeente kan een alternatieve ontmoetingsplek onderzoeken, maar die moet ook voor de jongeren bruikbaar zijn en voor omwonenden werken. Strafrechtelijke maatregelen horen bij concrete overtredingen of verstoring van de openbare orde. Het CCV beschrijft daarnaast straatcoaches, maar de studies die het aanhaalt geven geen eenduidig bewijs dat zij overal de veiligheid verhogen. Het nut van zo'n aanpak moet dus per locatie worden bekeken.
Verder bij de bron
Lees zelf de onderzoeken, uitleg en aankondigingen achter dit verhaal.
