De Universiteit Gent heeft op 22 september PFAROS afgetrapt, een Europees onderzoeksproject naar minder PFAS in de zorg. Volgens de universiteit werken 89 partners vijf jaar samen, met circa 44 miljoen euro van Europa en de medische en farmaceutische sector. Hun opdracht is tweeledig: alternatieven ontwikkelen en de kwaliteit en veiligheid van zorgproducten behouden. Dat raakt medicijnen én medische hulpmiddelen. Het nieuws is dus de start van gezamenlijk onderzoek, niet de ontdekking van één vervanger die al die toepassingen aankan. Ook is nog niet aangetoond hoeveel uitstoot dit project daadwerkelijk zal voorkomen.

Waarom deze stoffen zo lastig zijn

PFAS is een verzamelnaam voor door mensen gemaakte stoffen met onder meer water-, vet- en vuilafstotende eigenschappen. Het RIVM beschrijft hoe ze via fabrieken, gebruik van producten en afval in de leefomgeving terechtkomen. Sommige breken niet of nauwelijks af, verspreiden zich gemakkelijk of hopen zich op in mensen, dieren en planten. De eigenschappen verschillen per stof; over veel varianten is nog weinig bekend. Ook voor gezondheid telt meer dan alleen de naam PFAS. Hoeveel iemand binnenkrijgt en hoe lang het contact duurt, bepaalt mede het risico. Daardoor zijn twee vragen tegelijk nodig: wat doet een materiaal tijdens gebruik, en wat gebeurt ermee wanneer het in de omgeving belandt? Een beoordeling van het ene beantwoordt niet automatisch het andere.

Een medicijn kun je niet eenvoudig uitkleden

Bij een geneesmiddel kan PFAS onderdeel zijn van de werkzame stof: het molecuul dat klachten vermindert of een ziekte behandelt. Volgens het RIVM kunnen verbindingen van koolstof en fluor ervoor zorgen dat een middel beter wordt opgenomen of langer werkt. Weglaten kan daarom een andere actieve stof met andere eigenschappen opleveren. Vervanging vraagt meestal opnieuw een zorgvuldig toelatingsproces. Dat verklaart waarom een recept aanpassen niet hetzelfde is als een ongewenste verpakking vervangen. Geneesmiddelen met PFAS zijn vóór toelating onderzocht en beoordeeld door het CBG en/of het Europese EMA, benadrukt het instituut. Voor veel middelen bestaan alternatieven zonder PFAS, maar die zijn slechts soms geschikt: dat bespreek je met arts of apotheker. De milieudiscussie is dus geen aanleiding om zelf een voorgeschreven behandeling te veranderen.

Ook een glad slangetje heeft een functie

Bij medische hulpmiddelen gaat het vaak om fluoropolymeren: kunststoffen met grote moleculen uit de PFAS-familie. De Amerikaanse toezichthouder FDA legt uit waarvoor die dienen. Ze maken onderdelen glad, isoleren bijvoorbeeld de draden van een pacemaker en helpen implantaten langdurig intact te blijven. Een vervanger moet die eigenschappen dus ook leveren. De FDA beoordeelt bovendien het eindproduct en het contact met het lichaam: een tijdelijk gebruikte katheter, een implantaat en een verband hebben verschillende gebruiksduur en blootstelling. Op basis van de beschikbare wetenschappelijke gegevens ziet de FDA geen reden om fluoropolymeren in medische hulpmiddelen te beperken. Dat is het oordeel van een Amerikaanse toezichthouder over die toepassing, geen besluit over Europese milieuregels. Het onderstreept wel waarom dezelfde chemische familienaam niet voldoende is om alle toepassingen gelijk te beoordelen.

Eerst meten, dan een vervanger beoordelen

PFAROS wil daarom eerst het gebruik in de zorg in kaart brengen. De projectfiche van financieringsprogramma IHI beschrijft vervolgens het zoeken, ontwikkelen en toetsen van alternatieven. Daarbij moet veiligheid vanaf het ontwerp samengaan met duurzaamheid: een kandidaat moet geschikt zijn voor patiënten en gebruikers, maar ook beoordeeld worden op productie, gebruik en afvalverwerking. Zo wordt de milieuvraag onderdeel van het ontwerp. Een geplande AI-datatool moet informatie over toepassingen, mogelijke vervangers, chemische analyses en giftigheid samenbrengen. Pas na validatie zou die keuzes kunnen ondersteunen. Dat is een onderzoeksinstrument in ontwikkeling, geen systeem dat nu al goedgekeurde vervangers aanwijst. Het team hoopt met zijn hulpmiddelen de weg naar PFAS-vrije zorg in 2050 te ondersteunen. Die lange horizon is een ambitie; hij bewijst niet dat iedere toepassing dan vervangen kan worden.

Ook het afval telt mee

Het projectdossier in de Europese onderzoeksdatabank CORDIS noemt daarnaast technieken voor afbraak en verwerking van PFAS na gebruik. Dat is een andere opdracht dan een nieuw materiaal maken: bestaande producten en reststromen verdwijnen niet doordat een alternatief wordt ontwikkeld. Het dossier verbindt laboratoriumonderzoek ook aan sociale wetenschappen en overleg met betrokken partijen. Resultaten moeten immers bruikbaar worden voor fabrikanten, toezichthouders en beleid. Nederland en België zijn daarbij meer dan toekomstige afnemers. CORDIS vermeldt onder andere de VU, Wageningen Research, de Universiteit Antwerpen en onderzoeksorganisatie VITO als deelnemers. Hun betrokkenheid maakt het een regionaal relevant onderzoeksprogramma, maar geeft ziekenhuizen vandaag nog geen lijst met bewezen vervangers die zij direct kunnen bestellen.

Een onderzoek is geen verbod

Naast de technische zoektocht loopt een Europees beleidstraject. Nederland diende samen met Denemarken, Duitsland, Noorwegen en Zweden in 2023 een voorstel in om PFAS-gebruik breed te beperken. Het RIVM legt uit waarom de groep als geheel centraal staat: vervanging van de ene PFAS door een andere moet worden voorkomen. Een onderzoeksconsortium beslist echter niet welke toepassingen wettelijk toegestaan blijven. In het beschreven Europese proces doet de Commissie een definitief voorstel waarover lidstaten stemmen. Een projectpresentatie verandert die regels dus niet. Onze beoordeling: de waarde van PFAROS moet straks blijken uit aantoonbaar bruikbare alternatieven en minder vervuiling, niet uit het aantal deelnemende organisaties. De combinatie van zorgkwaliteit en milieuwinst is de toets; een groot budget of een ambitieuze einddatum is nog geen geslaagd resultaat.

Verder bij de bron

Lees zelf de onderzoeken, uitleg en aankondigingen achter dit verhaal.

Bronnen en werkwijze