Het kabinet gaat nachtelijke kamerinsluiting in de gesloten jeugdzorg niet wettelijk mogelijk maken. Minister Mirjam Sterk maakte die koerswijziging op 25 september bekend in een Kamerbrief. Het vorige kabinet wilde instellingen toestaan om in uitzonderlijke situaties de slaapkamerdeur van een jongere tijdens de nacht op slot te doen. Dat voorstel verdwijnt. Voor jongeren die nu in een gesloten instelling wonen, verandert de regel op dit punt niet onmiddellijk: de voorgestelde verruiming is nooit van kracht geworden. Het nieuws is juist dat een extra bevoegdheid er niet komt.

De maatregel was bedoeld voor jongeren bij wie volgens de instelling een ernstig gevaar voor medebewoners of medewerkers dreigt. Sinds 2024 geldt in de gesloten jeugdhulp het uitgangspunt dat vrijheidsbeperking alleen mag als er geen lichter alternatief is, zij in verhouding staat tot het gevaar en naar verwachting helpt. De afgeblazen wet zou daar specifiek nachtelijk opsluiten op de eigen kamer aan hebben toegevoegd. Een gesloten instelling blijft overigens een plek waar een jongere op basis van een rechterlijke machtiging verblijft en niet zomaar weg kan; een open slaapkamerdeur verandert dat niet.

Wat de maatregel wel en niet betekent

Die grens is belangrijk voor jongeren en hun ouders. Een deur die ’s nachts op slot gaat, ontneemt iemand ook binnen de instelling de mogelijkheid om zelf de kamer te verlaten of hulp te zoeken. Het besluit zegt niet dat iedere deur in een gebouw voortaan openstaat of dat geen enkele vrijheidsbeperkende maatregel meer kan worden toegepast. De inspectie wijst erop dat zulke ingrepen individueel moeten worden afgewogen en dat een noodsituatie andere, kortdurende maatregelen kan rechtvaardigen. Het verschil tussen verblijf in gesloten zorg en opsluiten in een slaapkamer mag dus niet verdwijnen in één woord: “gesloten”.

Sterk zegt na gesprekken met ervaringsdeskundigen en zorgaanbieders dat voor deze wetswijziging de noodzaak onvoldoende is aangetoond. Zij vindt de ingreep te zwaar en vreest dat een uitzondering langzaam gewoonte wordt, bijvoorbeeld wanneer een instelling te weinig personeel voor de nacht heeft. Financiële druk en personeelsgebrek erkent zij, maar volgens de minister zijn die geen reden om kamerinsluiting te legaliseren. Daarmee kiest het kabinet voor een duidelijke grens aan de voorgestelde bevoegdheid, zonder te beweren dat de situaties waarvoor die was bedacht vanzelf verdwijnen.

Die keuze sluit aan bij kritiek die al vóór dit besluit klonk. Patiëntenorganisatie MIND noemde een plan voor nachtelijke insluiting moeilijk te rijmen met de excuses die de overheid eind augustus aan voormalige jongeren uit de gesloten jeugdzorg aanbood. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd sprak eerder 57 jongeren in zeven instellingen. Van hen zeiden 29 dat zij soms of nooit betrokken werden bij hun hulp; 30 ervoeren geen verbetering door de hulp. Dat is geen landelijke peiling, maar wel een direct signaal dat meer zeggenschap en vertrouwen in de dagelijkse zorg nodig zijn.

Veiligheid blijft een probleem

Tegelijk heeft het personeel een echte veiligheidsopgave. De inspectie hoorde dit jaar van aanbieders dat spoedplaatsingen, wisselende medewerkers en een gebrek aan passende plekken spanningen kunnen vergroten. Jongeren vroegen volgens de inspectie om vaste afspraken, eerder ingrijpen als een conflict oploopt en een plek waar zij even uit een situatie kunnen stappen. Dat zijn aanknopingspunten voor zorg, geen bewezen vervanging die elk gevaar wegneemt. De minister zegt daarom met de sector te willen bespreken hoe escalaties anders kunnen worden voorkomen, juist voor de kleine groep met de zwaarste problemen.

De omvang van de gesloten jeugdhulp daalt al. De Nederlandse Zorgautoriteit telde op 1 april 2026 nog 350 jongeren in zulke instellingen, 65 minder dan een jaar eerder. Tegelijk waarschuwt de toezichthouder dat bij het sluiten van plekken zichtbaar moet worden welke passende alternatieven voor deze jongeren beschikbaar komen. De afname van het aantal bedden vertelt immers niet of een jongere thuis, op school en in een andere zorgvorm voldoende hulp krijgt. Wie de oude instelling afbouwt, moet dus ook volgen waar jongeren terechtkomen en of die nieuwe plek werkt.

Wat nu moet gebeuren

De Kamerbrief laat zien hoe lastig dat is. Volgens de minister krijgen 768 kinderen een afzonderlijk één-op-één-traject. Daarnaast ontvangen 1.557 kinderen buiten hun eigen regio hulp via een maatwerkcontract; de groepen kunnen overlappen. Voor 2026 tot en met 2028 trekt het kabinet geld uit om regio’s te helpen alternatieven voor verblijf in een instelling te ontwikkelen. MIND waarschuwde eerder dat veilige vervangende plekken nog tekortschieten. Sterk wil tegen het eind van het jaar een plan voor een nieuw wettelijk kader. Geen van die stappen betekent dat voor ieder kind morgen al een passende plaats beschikbaar is.

Voor een jongere die nu met opsluiting of een andere beperking te maken krijgt, is het nuttig om te vragen welke individuele reden en welke afspraken in het hulpverleningsplan staan. Een onafhankelijke vertrouwenspersoon van Jeugdstem kan jongeren en ouders helpen hun verhaal of een klacht bespreekbaar te maken; de organisatie is bereikbaar via haar website en telefonisch op werkdagen. Dit kabinetsbesluit geeft geen nieuwe klachtenroute en maakt een bestaande ervaring niet automatisch ongedaan. Het voorkomt wel dat het voorgestelde nachtelijke slot op de eigen kamer alsnog een gewone wettelijke optie wordt, terwijl de zoektocht naar veilige zorg doorgaat.

Verder bij de bron

Lees zelf de onderzoeken, uitleg en aankondigingen achter dit verhaal.

Bronnen en werkwijze