De gezamenlijke koopkracht groeit nog, maar trager. Het Centraal Bureau voor de Statistiek meldde woensdag 23 september dat hun gezamenlijke inkomen na correctie voor prijsstijgingen in de periode tot en met het tweede kwartaal van 2026 met 0,7 procent groeide. In de vergelijkbare meting een jaar eerder was dat 2,9 procent. Een hoger loon geeft dus niet automatisch meer ruimte op iedere rekening.

Van stevig herstel naar kleine plus

De CBS-reeks laat een duidelijke vertraging zien. De groei van het reële, beschikbare huishoudinkomen kwam in het derde kwartaal van 2025 nog op 3,2 procent uit en zakte via 2,5 en 2,2 procent naar de huidige 0,7 procent. Het zijn voortschrijdende jaarvergelijkingen, geen losse kwartaalveranderingen. Het verschil met vorig jaar bedraagt 2,2 procentpunt, niet een daling van het inkomen met 2,2 procent. De plus blijft een plus.

Groei reëel beschikbaar huishoudinkomen vertraagtprocent, voortschrijdend jaar · schaal begint bij 0
  1. K2 20252,9%
  2. K3 20253,2%
  3. K4 20252,5%
  4. K1 20262,2%
  5. K2 20260,7%

Bron: CBS, 23 september 2026. Elk punt vergelijkt de som van vier kwartalen met dezelfde vier kwartalen een jaar eerder; dit zijn geen mutaties per afzonderlijk kwartaal.

Dat onderscheid is belangrijk voor je eigen portemonnee. 'Beschikbaar' is wat de hele huishoudsector na onder meer belastingen, premies en ontvangen uitkeringen overhoudt om uit te geven of te sparen. 'Reëel' betekent dat het CBS de prijsstijgingen eraf heeft gerekend. De statistiek telt huishoudens bij elkaar op en verdeelt de uitkomst niet over huurders, huiseigenaren, gezinnen of alleenstaanden. Een huishouden kan er ook op achteruitgaan.

Loonstrook vertelt maar een deel

De grootste positieve bijdrage komt volgens het CBS van werknemers. Hun totale beloning lag in het tweede kwartaal 5,0 procent hoger dan een jaar eerder, mede doordat er 1,1 procent meer werknemersbanen waren. Dat is geen persoonlijke loonstijging. De cao-statistiek toont afgesproken lonen: per uur stegen die in hetzelfde kwartaal 4,3 procent. Bij particuliere bedrijven was dat 4,5 procent, bij de overheid 3,4 procent.

Voor zelfstandigen ziet de inkomenskant er anders uit. Het zogenoemde gemengde inkomen, waarin hun arbeidsinkomen en ondernemingsresultaat samenkomen, lag in het tweede kwartaal 2,2 procent lager dan een jaar eerder. Ook dit is een sectortotaal, geen uitspraak over elke zzp'er. Daarom kunnen landelijke en persoonlijke ontwikkelingen uiteenlopen. Een werknemer staat anders dan iemand die afhankelijk is van opdrachten. Zonder gegevens over de verdeling kan uit de CBS-publicatie geen winnaar of verliezer per huishoudtype worden afgeleid.

Uitkeringen en pensioenen leveren eveneens inkomen op. Huishoudens ontvingen volgens het CBS gezamenlijk 7,4 procent meer sociale uitkeringen dan een jaar eerder. Veel uitkeringen zijn gekoppeld aan het minimumloon, dat 4,6 procent hoger lag; daarnaast stegen pensioenuitkeringen, deels door fondsen die al op het nieuwe pensioenstelsel zijn overgestapt. Tegelijk droegen huishoudens als groep 6,2 procent meer af aan belastingen en sociale premies. Die percentages tellen niet eenvoudig op tot 0,7 procent. Die uitkomst volgt pas na verrekening van alle inkomensposten én de prijzen.

Prijzen blijven bepalend

Een cao-verhoging is dus niet hetzelfde als extra koopruimte. Volgens het CBS lag de inflatie in april op 2,8, in mei op 3,5 en in juni op 2,9 procent. Een hoger loon kan daardoor minder royaal voelen. Je kunt de juni-inflatie echter niet simpelweg van de cao-stijging in het hele kwartaal aftrekken om het huishoudinkomen te berekenen: het gaat om andere perioden, andere groepen, belastingen en uitkeringen. Het inkomenscijfer gebruikt bovendien de prijsontwikkeling van huishoudelijke consumptie voor zijn eigen correctie.

Bestedingen groeien, vertrouwen blijft laag

Een latere meting laat zien dat consumenten nog wel meer kopen. In juli, dus ná de periode waarop het nieuwe inkomenscijfer eindigt, was het gekochte volume 1,2 procent groter dan in juli 2025. Dat is al gecorrigeerd voor prijsveranderingen. Vooral duurzame goederen, zoals kleding en apparaten, namen toe; diensten groeiden veel minder snel. Het zegt iets over de totale vraag, maar bewijst niet dat ieder huishouden dankzij de inkomensgroei meer kon besteden. De cijfers tonen de afzonderlijke keuzes niet.

De stemming is intussen slechts voorzichtig verbeterd. Het CBS meldde dinsdag dat het consumentenvertrouwen in september van min 34 naar min 33 ging. De bereidheid om grote aankopen te doen werd iets minder negatief, terwijl het oordeel over de economie juist iets verslechterde. Het zijn antwoorden op een enquête, geen meting van wat mensen werkelijk te besteden hebben. Het nationale inkomen groeit nog, maar consumenten blijven voorzichtig.

Wat zegt dit over volgend jaar?

Een oudere, maar voor de toekomst belangrijke vergelijking is de koopkrachtraming rond Prinsjesdag. Het kabinet meldde op 15 september dat het CPB voor een doorsnee huishouden in 2027 een daling van 0,1 procent verwacht, tegenover 0,3 procent in een eerdere raming. Dat is een verwachting onder de toen voorgestelde beleidsplannen, geen al gemeten inkomensverlies. Voor zulke ramingen gebruikt het CPB een model dat de inkomens en belastingen van verschillende huishoudens doorrekent. Het CBS-cijfer van vandaag beschrijft juist achteraf het inkomen van alle huishoudens samen. Wie de twee percentages naast elkaar legt alsof ze dezelfde groep in hetzelfde jaar meten, trekt daarom de verkeerde conclusie.

De praktische conclusie is daarom bescheiden. Een cao-stijging in euro's moet je naast eigen uitgaven en lasten leggen. De vandaag gepubliceerde 0,7 procent is een terugblik op het totaal van Nederland, geen voorspelling voor de rest van 2026 en geen belofte aan een gezin. Het nieuws is dat de gezamenlijke koopkracht nog groeit, maar veel minder snel; hoe die groei wordt verdeeld, blijft met deze CBS-reeks onbeantwoord.

Verder bij de bron

Lees zelf de onderzoeken, uitleg en aankondigingen achter dit verhaal.

Bronnen en werkwijze