PFAS-waarden in Nederlands bloed lijken lager dan negen jaar geleden, maar de blootstelling blijft groot. In een op 29 september gepubliceerd RIVM-onderzoek met bloed van 967 donoren uit 2025 ligt de berekende hoeveelheid van tien PFAS samen bij 71 procent van de volwassenen boven een gezondheidskundige grens. In de eerdere studie met bloed uit 2016 en 2017 was dat 99 procent. Voor bewoners is dat tegelijk voorzichtig goed nieuws en een reden om bronnen van vervuiling te blijven beperken: de grens is geen diagnose, maar langdurige blootstelling kan gevolgen hebben voor de afweer.

De twee percentages zijn geen directe meting van dezelfde mensen. Het oudere onderzoek gebruikte monsters uit een bevolkingsonderzoek; het nieuwe onderzoek gebruikt bloeddonoren en corrigeert statistisch voor onder meer leeftijd, geslacht en woonplaats. Donoren kunnen op andere punten toch afwijken van de bevolking; herhaalde bloeddonatie kan de gemeten hoeveelheid zelf ook beïnvloeden. Ook verschillen de meetmethoden. Het RIVM vindt bij de vier stoffen die betrouwbaar tussen de onderzoeken zijn te vergelijken lagere bloedwaarden, vooral voor PFOS en PFOA. Dat ondersteunt een dalende tendens, maar bewijst niet dat ieders blootstelling even sterk is gedaald of dat alle PFAS afnemen.

Wat betekent die grens voor jou?

Wie boven de grenswaarde uitkomt, is niet automatisch ziek en krijgt ook geen voorspelling van toekomstige klachten. De grens geeft aan vanaf welk langdurig niveau schadelijke effecten niet kunnen worden uitgesloten. Het gaat om een optelsom van tien stoffen, gewogen naar hun verwachte schadelijkheid; PFOS leverde in het onderzoek de grootste bijdrage. De uitkomst zegt dus iets over een groep en over mogelijke gezondheidsrisico’s, niet over de gezondheidstoestand van een individuele donor. Bij klachten blijft de huisarts het aanspreekpunt.

Dat onderscheid is praktisch belangrijk wanneer een commerciële bloedtest aantrekkelijk lijkt. Volgens het RIVM laat zo’n test zien dat iemand eerder aan PFAS is blootgesteld, maar hij kan niet vaststellen of huidige klachten daardoor komen en ook niet voorspellen of iemand later ziek wordt. Het instituut biedt zelf geen individuele bloedtesten aan. Een dure uitslag verandert bovendien niet de herkomst van PFAS in eten, water en de leefomgeving. Vraag bij zorgen over je woonomgeving liever de regionale GGD naar de plaatselijke adviezen; bij medische klachten hoort een arts.

Langs de Westerschelde blijft het beeld ongelijk

Het landelijk gemiddelde verhult grote lokale verschillen. In Zeeuws-Vlaanderen vond het RIVM bij donoren voor zeven PFAS hogere waarden dan elders. PFOS en PFHpS lagen er in sommige vergelijkingen tot zeven keer hoger. Ten noorden van de Westerschelde waren enkele stoffen tot twee keer zo hoog; bij Dordrecht was PFOA opnieuw licht verhoogd. Het onderzoek kan niet aanwijzen welke fabriek, voedselbron of andere route de gemeten stoffen veroorzaakt. Voor Zeeuws-Vlaanderen ontbreken eerdere bloedmetingen in deze opzet, zodat daar geen lokale daling valt te berekenen.

Voor lezers in België zijn de Nederlandse percentages niet over te nemen. Vlaanderen meldde op 11 september een ander onderzoek onder 1.734 mensen, vooral uit de omgeving van de 3M-site in Zwijndrecht. Hogere PFAS-waarden hingen daarin samen met onder meer cholesterol, nier- en leverwaarden. De onderzoekers spreken van een verband, niet van bewijs dat PFAS deze afwijkingen veroorzaakte. Het Vlaamse onderzoek beantwoordt dus een andere vraag dan de Nederlandse donorstudie. Wie in een onderzochte Vlaamse zone woont, kan op de overheidskaart per gemeente de geldende voorzorgsmaatregelen controleren.

Welke keuzes helpen wel?

Volledig vermijden lukt niet: PFAS zitten verspreid in milieu en voedsel. Een oudere RIVM-berekening laat zien dat Nederlanders via voeding ruim drie keer zo veel van de onderzochte PFAS binnenkrijgen als via drinkwater; vis is daarbij een belangrijke bron. Dat is een gemiddelde, geen advies om al het kraanwater of alle vis te mijden. Gevarieerd eten verkleint de kans dat één product telkens een hoge bijdrage levert. Volg daarnaast lokale waarschuwingen voor vis uit vervuild water of voedsel uit eigen tuin waar die gelden.

Eén keuze is in Nederland wél helder: het Voedingscentrum raadt eieren van hobbykippen af. In veel van die eieren kan meer PFAS zitten dan in gecontroleerde winkeleieren, zonder dat je het aan de schaal ziet. Voor Vlaanderen luidt het algemene advies anders: beperk zelfgeteelde eieren tot maximaal twee per week en volg strengere lokale maatregelen waar die gelden. Neem die landsverschillen serieus; een Nederlandse landelijke waarschuwing en Vlaamse zonespecifieke adviezen zijn geen uitwisselbare normen. Voor Vlaamse risicogebieden geldt bovendien: gebruik geen putwater als drinkwater wanneer de plaatselijke overheid dat afraadt. Volg daarbij de aanwijzingen voor jouw adres, niet alleen een algemeen landelijk advies.

De dalende waarden voor enkele oude PFAS laten zien waarom maatregelen aan de bron tellen, maar de studie meet niet of een bepaalde maatregel de oorzaak is. Minder gebruik en uitstoot moeten de aanvoer via bodem, water en voedsel terugdringen; het RIVM vraagt daarom om brede beperking van alle PFAS en om herhaalde bloedmetingen. Alleen dan wordt duidelijk of de vooruitgang doorzet, ook voor nieuwere stoffen. Voor bewoners is de nuchtere conclusie: volg lokale voedsel- en milieuadviezen, maar behandel een groepscijfer of losse bloedtest niet als persoonlijk medisch oordeel.

Meer weten?

Kies de verdieping die je interessant vindt.

Verdieping · 1 min extraWaarom 71 procent geen eenvoudig risicocijfer isDe gekozen stoffen en rekenmethode veranderen hoeveel mensen boven de grens uitkomen.

Het RIVM vergelijkt dezelfde nieuwe bloedmonsters op twee manieren met een grenswaarde van 6,9 microgram per liter. Telt het vier veel onderzochte PFAS ongewogen op, dan zit 7 procent van de volwassenen erboven. Bij tien stoffen, met een weging voor hun geschatte schadelijkheid, is dat 71 procent. De oude monsters uit 2016–2017 kwamen volgens diezelfde tien-stoffenmethode op 99 procent. Deze cijfers spreken elkaar niet tegen: ze beantwoorden verschillende rekenvragen. De nieuwe laboratoriummethode kan lage concentraties van sommige stoffen minder goed onderscheiden, waardoor vooral de aantallen aangetroffen soorten niet één op één vergelijkbaar zijn.

Verder bij de bron

Lees zelf de onderzoeken, uitleg en aankondigingen achter dit verhaal.

Bronnen en werkwijze