De Nederlandse economie groeit dit jaar naar verwachting met 1,5 procent, schrijft het Internationaal Monetair Fonds (IMF) dinsdag in zijn nieuwe economische vooruitzichten. In juli rekende het fonds nog op 1,0 procent. Voor volgend jaar verwacht het IMF een groei van 1,3 procent. De hogere raming gaat over de economie als geheel; voor huishoudens tellen daarnaast hun inkomen en de prijzen die zij betalen.
De bijstelling bedraagt een half procentpunt. Het gaat om de groei van het bruto binnenlands product: de waarde van wat in Nederland wordt geproduceerd, gecorrigeerd voor prijsveranderingen. De nieuwe raming voorziet daarmee meer economische activiteit dan het fonds in de zomer verwachtte.
Groei eerder dit jaar hoger bijgesteld
Ook de gemeten groei viel onlangs gunstiger uit. Het CBS verhoogde op 23 september zijn cijfer voor het tweede kwartaal van 0,4 naar 0,6 procent ten opzichte van het eerste kwartaal. Vooral de uitvoer van diensten en de uitgaven van huishoudens bleken sterker gegroeid dan bij de eerste berekening was aangenomen. Overheidsuitgaven droegen eveneens bij aan de groei.
De nieuwe berekening veranderde ook het beeld van de werkgelegenheid. Het totale aantal banen van werknemers en zelfstandigen nam in het tweede kwartaal met 15.000 toe ten opzichte van het kwartaal ervoor. Eerder had het CBS nog een afname van 8.000 banen gemeld. Deze kwartaalcijfers zijn gecorrigeerd voor seizoensinvloeden. Ze beschrijven de ontwikkeling in het voorjaar, terwijl het IMF vooruitkijkt naar het hele jaar.
Meer inkomen, hogere prijzen
Voor huishoudens was de toename van hun bestedingsruimte bescheidener dan de loonstijging. Volgens afzonderlijke CBS-cijfers lag hun beschikbare inkomen in het tweede kwartaal, na correctie voor prijsstijgingen, 0,7 procent hoger dan een jaar eerder. Het gaat om alle huishoudens samen. De uitkomst zegt daardoor niet hoeveel een afzonderlijk gezin of een alleenstaande erop vooruitging.
De totale beloning van werknemers groeide met 5 procent. Daarbij speelden zowel hogere cao-lonen als meer werknemersbanen een rol. Ook ontvingen huishoudens meer uitkeringen, waaronder hogere pensioenen. Tegelijk betaalden zij meer belastingen en sociale premies. Die verschillende inkomsten en afdrachten bepalen samen hoeveel er beschikbaar blijft voor bijvoorbeeld boodschappen, wonen en sparen.
De prijzen liepen intussen verder op. Het CBS bevestigde dinsdag dat goederen en diensten in september gemiddeld 3,4 procent duurder waren dan een jaar eerder. In augustus was dat 3,3 procent. Vooral motorbrandstoffen droegen bij aan de versnelling: die kostten in september 27,2 procent meer dan een jaar eerder, tegen 23,4 procent in augustus. Vergeleken met augustus steeg het gemiddelde prijsniveau in september met 0,1 procent.
Bij diesel was de stijging het grootst. Een liter kostte in september gemiddeld 2,499 euro, tegenover 2,369 euro in augustus. Ook benzine werd duurder: de gemiddelde literprijs ging van 2,333 naar 2,448 euro.
Verder bij de bron
Lees zelf de onderzoeken, uitleg en aankondigingen achter dit verhaal.
